Gekkie Eddie

Had ik al gezegd dat het héérlijk is om weer in Frankrijk te zijn? Nee? Ok dan. Het is héérlijk om weer in Frankrijk te zijn. Na alle geweldige overzeese avonturen, waarin we genoten van het gevoel ontdekkingsreiziger te zijn, geeft Frankrijk ons het gevoel thuis te komen. Bekend terrein. We houden van dit land. Van haar liefde voor goed eten. Van haar taal. Het zal vast niet voor niets zijn dat de vonk tussen ons ooit oversprong in Parijs 😉.

 

Het Franse gastenvlaggetje gaat weer het want in

 

Na 4,5 dag op Biscaje landen we in Camaret-sur-Mer. Heel symbolisch. Twee jaar geleden was Camaret de springplank van waaruit we onze eerste grote (‘enorme’) oversteek gingen maken. Wat was ik zenuwachtig voor de 2,5 dag op zee die ons te wachten stond. Nu landen we in Camaret nadat we ons laatste langere overtochtje hebben gemaakt. En zelfs met tegenwind, waardoor deze overtocht 4,5 dag duurde, voelde het als een kort tripje. Twee jaar later blijkt Camaret exact hetzelfde kneuterige dorpje te zijn. Er is helemaal niets veranderd. Wat wél veranderd is, realiseren we ons, is óns perspectief. Het contrast tussen heen- en terugreis had bijna niet groter kunnen zijn.

 

Uitzicht op Camaret vanachter ons anker

 

Mijmeren op ons eigen eilandje terwijl de zonder onder gaat

 

Net voor zonsondergang varen we de baai van Camaret binnen. De haven ligt propvol, dus we besluiten net buiten de haven ons anker te laten vallen. Eigenlijk is het wel heerlijk om nog even op ons eigen eilandje te zijn. We hebben – zoals na elke grote oversteek – een flesje bubbels koud liggen om te vieren dat we goed zijn aangekomen, maar we besluiten om die nog een nachtje te laten wachten. Morgen is er dúbbel zoveel te vieren! Van onze goede vrienden Eric en Femke (hier op de Amuse ook kortweg ‘De Piraten’ genoemd) hebben we gehoord dat ook zíj morgen aankomen in Camaret. Wat een feest! Eric en Femke kennen we al sinds onze studententijd. Femke en ik waren de enige twee dames in een studentenhuis met verder vijf mannen (waaronder Stijn). Wij waren dus ‘partners in crime’ om ons vrouwtje te staan tussen die haantjes. Eric was toen al een vriend van Stijn en kwam vaak over de vloer in ons studentenhuis, waar zijn oog op Femke viel. Ook toen we al lang niet meer in het studentenhuis woonden, trokken we veel samen op. Samen op wintersport. En ook samen zeilen. Eerst nog in open bootjes. Toen voor het eerst in een kajuitbootje: Met klotsende oksels van de zenuwen op een 27-voets bootje op de Friese Meren. Later samen naar Kroatië om te zeilen op wéér een wat groter bootje, met net zo veel zweet in de handjes. Samen grenzen verleggen. Er kwamen eigen boten. Er werd regelmatig samen gezeild. En ergens gedurende de jaren ontstond zowel bij hun als bij ons de droom om een lange zeilreis te maken. Wat was het heerlijk om vrienden te hebben die óók een plan hadden om tegen de stroom in te bewegen. Zij begrepen het allerbeste wat ons dreef. Zij snapten precies hoe zo’n droom aan je trekt, maar ook de keerzijde ervan: hoe moeilijk het is om los te laten. Wat hebben we er veel over gesproken met hen in de jaren vóór we vertrokken. En wat gaf dat een hoop houvast en moed!

Uiteindelijk vertrokken de Piraten een jaartje eerder dan wij. Een half jaar na hun vertrek (en een half jaar vóór dat van ons), zochten we ze met het vliegtuig op op Sicilië. Terwijl wij nog de stress hadden van het op tijd klaar krijgen van onze boot en het regelen van allerlei zaken in Nederland, troffen we daar twee bruine en zeer ontspannen koppies. Dáár doen we het dus voor! Inmiddels zijn we bijna drie jaar verder. De reis die Eric en Femke hebben gemaakt, lijkt in de verste verten niet op die van ons. Ze hebben ons nog een keertje opgezocht op Gran Canaria, maar hebben verder hun eigen plan getrokken. Waar zij op de Middellandse Zee hebben gevaren, hadden wij een heel ander vaargebied. Maar wat we wél gemeen hebben, is dat we beiden onze droom hebben geleefd, onze grenzen hebben verlegd, onszelf zijn tegengekomen, maar ook net zo hard boven onszelf zijn uitgestegen, mooie mensen hebben ontmoet en onszelf hebben laten verrassen door wat het leven voor ons in petto had. En natuurlijk onze verslaving aan het spel ‘Piraten Bridge’. Nu zijn we beiden weer onderweg naar Nederland. En ook zíj varen voor de Bretonse kust. Voor het eerst in bijna twee jaar tijd gaan we ze weer zien! Dat alles gaat door me heen vanaf het moment dat we horen dat ze morgen óók in Camaret zullen aankomen! Die bubbels moeten dus gewoon nog een nachtje wachten!

De volgende dag varen we ’s ochtends de haven binnen, waar nu wél plek is. Op de AIS houden we de Sunrise (de Piratenboot) nauwlettend in de gaten. En dan eindelijk zijn ze er. De bubbels (zowel uit onze als uit hun koelkast) sneuvelen al snel. Tot diep in de nacht zitten we te kletsen. Wat is er veel te vertellen! En tegelijkertijd lijkt het alsof we elkaar vorige week nog gezien hebben.

 

Daar zijn ze dan eindelijk!

 

En natuurlijk Piraten Bridge…. Johohooooo!

 

Ondertussen hebben we ook een berichtje ontvangen van Didier en Patricia, een Frans zeilersstel dat we ontmoet hebben in Cuba. Hun boot ligt op dit moment in Panama, maar zij zijn een paar maanden thuis, in hun huis in Roscanvel, een paar kilometer van…. Camaret! Ze hebben op onze website gezien dat we in Camaret zijn en stáán erop ons bij hen thuis te ontvangen. Wat leuk! Didier komt ons ophalen en we kletsen gezellig bij in de tuin van hun huis. Ze hebben speciaal voor ons Kouign Amann gehaald, een Bretonse specialiteit die het midden houdt tussen koek en taart. Heerlijk. Maar volgens het recept dat ik heb opgezocht, ook erg calorierijk. Bloem, gist, veel boter en veel suiker; veel meer zit er niet in. Maar goed dat Didier ons graag wat van de omgeving wil laten zien. We maken een geweldig mooie wandeling langs de kust van het schiereiland. Terwijl we in stevige pas het wandelpad over de kliffen vervolgen, vertelt Didier honderduit. Over de tijd van de Spaanse bezetting van het schiereiland, over de Duitse bunkers uit de tweede wereldoorlog, over hoe de overheid de streek beschermt door niet toe te staan om nieuwe huizen te bouwen binnen 300 meter van de kust. Hij vertelt ons dat het huis met het rode pannendakje een unicum is, omdat het in de streek al tientallen jaren verplicht om nieuwe daken van leisteen te maken. Hij laat ons de beste plekken zien om bramen te plukken. Aan het eind van de middag brengt hij ons weer terug naar de haven. We zijn moe maar voldaan. Maar wat is het ontzettend leuk om Didier en Patricia weer ontmoet te hebben!

 

Conversation marchante

 

Indrukwekkend uitzicht op het Fort des Capucins

 

Na een paar dagen in Camaret vinden we het tijd om verder te varen. Er komt een mooie zuidelijke bries aan om Cap Finistère te ronden. Alweer? Ja, zowel de Spanjaarden als de Fransen dachten dat hun meest westelijke puntje het einde van de wereld (=’finis terra’) was. In Spanje rondden we een paar weken geleden dus nog Cabo Finisterre (of in het Galicisch Fisterra), en nu is het de beurt aan het Franse einde der wereld, Cap Finistère. Beide kapen zijn overigens kapen om met respect te benaderen. Wij kiezen dan ook een rustig dagje uit, met wind in de rug. En we rekenen uit dat we precies op tijd vertrekken om de stroom rond de kaap méé te hebben. We speren dan ook! Als we ter hoogte van l’Aber Wrac’h, de eerstvolgende haven zijn, zien we dat we makkelijk ook nog de volgende haven (Roscoff) kunnen bereiken met de stroom in de rug. Da’s mooi. Vooral ook omdat we nog steeds geen idee hebben hoe we l’Aber Wrac’h uit moeten spreken. Roscoff is wat dat betreft makkelijker. De laatste uurtjes richting Roscoff hebben we wel wat miezer. Precies als we de havenkom invaren en we allebei druk in de weer zijn om stootwillen en landvasten gereed te maken, valt er nog even een enorme plensbui op ons dak. Ach ja, we hebben in elk geval flink wat mijlen kunnen maken. En bovendien breekt de zon weer door zodra we eenmaal aan de steiger liggen.

Roscoff kennen we nog van de heenweg. Een gezellig, typisch Bretons plaatsje. Waar je goed kunt eten! In Camaret was het er met alle gezelligheid nog niet eens van gekomen om ons op de Franse culinaria te storten, maar hier maken we dat ruimschoots goed.

 

In Roscoff is het te doen rond het pleintje bij de oude vissershaven. Dáár zitten de gezellige terrasjes. Dáár wordt pétanque gespeeld. (Als wij Nederlanders het ‘jeu-de-boules’ noemen, heeft een Fransman echt geen idee waar we het over hebben).

 

De oude haven valt bij laag water volledig droog. Onze boot is daar niet geschikt voor (dan zou ze op haar kant vallen), dus wij liggen in de nieuwerwetse, grote haven een stukje buiten het centrum.

 

De oude haven na zonsondergang

 

Oesters, mosselen, vis, crème brûlée, magret de canard, …

 

In Roscoff liggen we een paar dagen verwaaid (soms geen wind, soms veel te veel wind om door te varen). Maar dat is geen straf. De omgeving vraagt erom verkend te worden. Met Eric en Femke maken we dan ook per veerpont een uitstapje naar Île de Batz. Dat is een klein eilandje precies tegenover Roscoff, dat door onze pilot liefkozend ‘het voorportaal van de hemel’ wordt genoemd. Het schijnt er nog wel eens druk te kunnen worden in de middag, maar wij zijn op tijd en zien nauwelijks andere toeristen. Het eilandje is inderdaad prachtig. In een paar uurtjes lopen we helemaal rond. Weidse uitzichten, een vuurtoren en typisch Bretonse bebouwing. Echt prachtig. Hoewel we ons ook wel afvragen of deze ruwe kusten tijdens een gemiddelde herfststorm nog steeds ‘hemels’ genoemd zullen worden. Nog vóór de middag laten we het voorportaal voor wat het is, en stappen we weer op de veerpont terug naar Roscoff, waar we een fijne lunch op een terras hebben verdiend. Met een kleine 20 kilometer in de benen komen we aan het eind van de middag weer terug op de Amuse.

 

Rondom het eiland zien we veel mannen met grote schepnetten in de weer. Als we ze vragen waar ze op azen, blijkt dat ze garnalen vissen.

 

Vuurtoren en kneuterige huisjes midden op het eiland

 

We hebben er maar vanaf gezien om met eigen boot naar Île de Batz te gaan. De baaien vallen droog, en ankeren in de sterke stroming tussen het eiland en het vasteland zien we niet zitten nu het richting springtij gaat.

 

Prachtig in de zomer, maar waarschijnlijk erg eenzaam in de winter

 

Twee dagen later doen we nóg zo’n mooie wandeling. Ditmaal naar het Presqu’île de Perharidy. Door velden, langs idyllische Bretonse dorpjes, langs ruige kusten en droogvallende baaien. Ondertussen plukken we een flinke zak met bramen. Daar hoopten we al op! We hebben al dagen zin om één van onze lievelingstoetjes te maken: ‘cheesecake in een glaasje’. De kwark en de Bastognekoeken hadden we al in huis gehaald en met de bramen zijn we er nu helemaal klaar voor! Het is maar goed dat we zo veel lange wandelingen maken hier langs de Bretonse kust, anders zouden we alsnog een paar kilo zwaarder in Nederland aankomen.

 

Typisch Bretons huis, met blauwe luiken en leistenen dak

 

“Les mûres sont mûres”, hebben we van Didier geleerd. De Fransen gebruiken voor braam en voor rijp hetzelfde woord.

 

Komt dat effe goed uit!

 

De rijzing door het getij is hier enorm. De zee trekt zich met eb soms kilometers terug.

 

Roscoff bij laag water

 

Nu we Roscoff en omgeving wel uitgespeld hebben, kijken we steeds vaker of er al een mooi weervenster te vinden is om door te varen. De wind – die hier normaal gesproken toch meestal uit (zuid)westelijke richting zou moeten komen – staat vaak vrij noordelijk. Omdat we vanuit Roscoff in noordoostelijke richting moeten varen, is dat niet heel handig. Zeker als die wind dan ook nog eens heel hard is. Als het even wat minder hard waait, zien we dan ook onze kans schoon om weer een stukje verder te varen. De stroming bij deze etappe is nogal stevig, dus we weten nog niet precies waar we uit kunnen komen. We mikken op Guernsey (een Brits kanaaleiland), of Cherbourg. Als we Guernsey voorbij varen, moeten we nog het stukje water tussen Alderney en het Franse vasteland door varen. Dat stukje water wordt niet voor niets de Race van Alderney genoemd. Rond springtij (wanneer de stroming het sterkst is), kun je hier tegen de 10 knopen stroom mee of juist tegen hebben. En laat het nu precies springtij zijn. We moeten in de Race de stroming echt mee hebben, want met onze gemiddeld 5-6 knopen snelheid zouden we hier met tegenstroom gewoon achteruit varen. Als we halverwege de middag Guernsey naderen, rekenen we nog eens goed en concluderen dat we nog prima met stroom mee door de Race zouden moeten kunnen. Waarschijnlijk komen we dan rond een uur of 3.00 ’s nachts in Cherbourg aan. Ik vind het wel een beetje spannend om in het donker full speed door de Race te surfen, dus we bedenken een alternatief: om Alderney heen. Daar stroomt het iets minder. Het is bovendien maar een mijl of drie langer. Hoewel we niet de hele nacht door hoeven te varen, gaan we toch maar ons vertrouwde wachtschema in. De eerste nachtelijke uurtjes ligt Stijn lekker te pitten, terwijl ik met een knoop of 9 hard richting Alderney vaar. Als het tijd is om te wisselen en ik net in de warme slaapzak lig, begint de boot enorm te stuiteren. Wát een wasmachine! Een uurtje later – ik heb nog geen oog dicht gedaan – roept Stijn me. Véél eerder dan verwacht heeft hij de stroom tegen. We zijn precies ter hoogte van Alderney, maar we hebben zóveel zijwaartse stroom dat we alléén maar bezig zijn om de stroom te corrigeren en netto geen centimeter meer opschieten. Het lukt nog net om ons richting Alderney te ploeteren. Daar gaan we maar even een getijdenstopje maken. De baai van Alderney is stikdonker. Het beetje maan dat er was, is al lang ondergegaan. Gelukkig kunnen we ons nog een beetje herinneren hoe het eruit zag, van ons bezoek 2 jaar geleden. Rechts moet een veld liggen met meerboeien. En wat dieper in de baai liggen veel vissersbootjes, herinneren we ons. Eerst maar even een rondje maken om te verkennen. Ik sta met een zaklamp vóór op de punt, terwijl Stijn langzaam verder vaart. We zien inderdaad aan de rechterkant veel boten aan meerboeien liggen. Gelukkig zijn er ook nog een paar lege meerboeien. We gaan eerst voor ons standaardtrucje: Stijn probeert voor op de punt met een pikhaak de boei te pakken en er een lijn doorheen te halen, terwijl ik de boot zo dichtbij mogelijk stuur. Het is hartstikke donker, er staat flinke deining, maar ja hoor: Na een paar pogingen heeft hij hem te pakken. Nu nog de lijn erdoor. De stroming is enorm sterk, dus de Amuse wordt stevig weggezet. Ik hoor Stijn grommen. Pikhaak kapot. Het deel met de haak drijft nu in de baai. Maar we zijn niet voor één gat te vangen. We proberen het nu achteruit. Vanaf het zwemplateau achter op de boot kan Stijn de boei mooi vastpakken. Lijntje erdoor. Zo, we liggen. En stiekem zijn we wel trots, want tegelijk met ons was er nog een andere zeilboot hier binnengevaren, met 4 mannen erop. Die liepen waarschijnlijk tegen dezelfde stroming aan als wij. Maar die mannen zijn – terwijl wij al lang en breed achter de boei dobberen – nog onder luide conversatie bezig om ook een boei op te pikken. Gelukkig voor hun lukt ze dat een kwartiertje later ook. Wel jammer van de pikhaak. Niets eens dat we nu een nieuwe moeten kopen, maar vooral dat er door ons toedoen een stuk plastic in zee drijft. Daar baal ik enorm van.

Eenmaal binnen kijken we nog maar eens goed naar de stroomkaartjes in de pilot. En wat blijkt: we hebben een ‘eddy’ onderschat. Een eddy is zo’n Engels woord waar we eigenlijk geen goede vertaling voor weten. In het Engelse woordenboek staat de volgende betekenis: ‘a current of water running back against the main stream’. In het Nederlands wordt het vertaald met ‘kolk’ of ‘werveling’, maar voor ons gevoel is een eddy veel grootschaliger dan een werveling. Dit verschijnsel hebben we al wel vaker gezien en wordt hier aan boord van de Amuse altijd ‘Gekke Eddie’ genoemd. Wij zijn er nu dus achter dat er precies ten noordwesten van Alderney zo’n Gekke Eddie staat. We rekenen nog snel uit wanneer de stroom weer méé gaat staan en concluderen dat we nog lekker een uurtje of vijf ons nest in mogen duiken vóór de wekker gaat. Lekker relaxed joh, zo’n zeiltochtje! De volgende ochtend is Gekke Eddie gelukkig in geen velden of wegen te bekennen en speren we de laatste 25 mijl naar Cherbourg.

Als we Cherbourg naderen, zien we in de baai al een groot schip van de Franse douane liggen. En ja hoor: nog vóór we onze lijnen goed vast hebben liggen, marcheren er vier gewapende mannen over de steiger. Of ze ons mogen controleren. Hoewel er nog een cosmetisch vraagteken achter die zin staat, gaat het feitelijk om een mededeling. Ja hoor, als ze even een paar minuutjes willen wachten tot we goed vastliggen. Dat vinden ze geen probleem. Geduldig staan ze te wachten tot we ze met een ‘Bienvenue’ en een glimlach aan boord vragen. Terwijl één van de mannen allerlei serieuze vragen stelt, wil zijn collega vooral weten waar we geweest zijn, wat onze meest bijzondere souvenirtjes zijn, en of we straks wel weer kunnen wennen aan het wonen in een huis. Nog een ander is ondertussen onze paspoortnummers aan het doorbellen naar een voor ons geheime informatiedienst. En nummer vier trekt keurig rubberhandschoenen aan vóór hij in de boot wat kasten en luiken inspecteert. Ze vertellen ons dat we op de radar staan omdat we van de Azoren komen. Blijkbaar worden alle boten die van ver komen aan zo’n inspectie onderworpen. Het zal niet voor het eerst zijn dat er hier boten uit het Caribisch gebied aankomen met uiterst waardevolle, maar illegale handelswaar. Ach, de mannen zijn hartstikke vriendelijk en een half uurtje later zijn we goedgekeurd. We krijgen ook een keurig formuliertje mee als bewijs daarvan. Mochten we verderop in Frankrijk nogmaals ijverige douaniers tegenkomen, dan kunnen we ze laten zien dat hun Cherbourgse collega’s zich al hebben uitgeleefd op ons.

Tegen de avond begint het lekker te waaien. Dat was inderdaad voorspeld. Fijn dus dat we hier in de haven van Cherbourg liggen, goed beschut, zodat we geen last hebben van deining. De komende dagen blijft de wind erg ongunstig om verder te varen. Alsof ook de heersende wind zich even laat inpakken door de Gekke Eddies. Waar ligt eigenlijk de grens tussen ‘main stream’ en ‘Gekke Eddie’? Als de wind méér uit de onverwachte dan uit de normale hoek waait, kun je dan nog wel spreken van een Gekke Eddie? Al sinds we uit de Azoren zijn vertrokken, hebben we last van Gekke Eddies: Weersomstandigheden die ons af laten buigen van de ‘main stream’. Is dat dan misschien een teken aan de wand voor ons? Moeten we die Gekke Eddies gewoon volgen en dus weer omdraaien? En hoe gaat dat als we weer terug zijn in Nederland? Zullen wij ons dan Gekke Eddie voelen? Of denken we dat Nederland Gekke Eddie is geworden? Allemaal mooie vragen. Maar ach… laat ons – zolang we nog niet thuis zijn – gewoon nog maar even Gekke Eddie zijn!

8 gedachten over “Gekkie Eddie

  1. Zo al heel dicht bij huis en nog steeds genieten. Wij zijn in Oslo aan het wachten om over 5 uur naar Spitsbergen te vliegen. Naar Marina van de Lila. Kunnen jullie haar nog herinneren?
    Heel fijne terugtocht nog en gaaf dat jullie zulke goede vrienden op onverwachte plek ontmoeten. Spreken we gauw wat af? Groet Bram en Anja

    1. Hi Anja & Bram, dat lijkt me heel gaaf: Spitsbergen. Veel plezier daar! En ja, zeker gauw wat afspreken! Tot snel. Liefs, Yvet

  2. Ja, weer een heerlijk (letterlijk en figuurlijk) verhaal. Avontuur op avontuur! En steeds weer mensen uit jullie eigen ‘scene’ ontmoeten.
    Bijzonder dat je dan na zoveeeeeel zeemijlen zulke dierbare mensen ontmoet.

    En: nu heb ik ook een bijnaam voor jullie: The pirates of the Caribean

    Groet aan Eddie!!

  3. Zo’n ‘Eddy’ lijkt wel een beetje op de stroming achter een strekdam of krib, die vaak tegengesteld is aan de hoofdstroom. In het Nederlands heet dat een ‘neer’ of ‘tegenstroom’.

    Leuk om jullie verslagen van bekend zeilgebied te lezen. Fair winds and following seas voor de laatste zeemijlen naar Nederland! Zal hier wel weer even wennen zijn.

    1. Weeeeer een heeeerlijke blog! Zo leuk om te lezen! Bubbels met jullie studie/zeilvrienden, geweldig….. johoho heel Piraats! Wij kijken naar jullie uit… johoho!
      We zijn ondertussen ook in Frankrijk…

  4. Natuurlijk wisten we dat de afgelegde etappes pittig zouden kunnen worden. Maar als je dan het complete verhaal leest…heftig avontuur!
    ( En ja hoor, jullie mogen bést trots zijn, wij zijn ook súpertrots op jullie )!
    Maar wat een héérlijk verhaal weer. Het weerzien met Eric en Femke en later met Didier en Patricia, de schitterende, ruige Bretonse natuur en ‘la cuisine Française’, die ook ja. Tekst en beelden halen bij ons heel veel mooie herinneringen boven aan onze vakanties in Bretagne.
    Wees trouwens maar blij Yvet dat je geen Bretonse gastenvlag hebt hoeven maken met al die strepen en ‘hermelijnstaartjes’ 😉 . ( Prachtige vlag overigens ). En wat die taal betreft; doe geen moeite, daar is geen ‘fromage’ van te maken.
    Wij gaan keihard duimen voor ‘no more eddies’ op het laatste traject, zodat jullie straks veilig ‘thuis’komen!!! ( En hier hoef je níet het water op om ‘Gekke Eddies’ tegen te komen, ze lopen gewoon los op straat rond 😉 ).
    Alwéér een stukje dichter bij het weerzien,
    heel veel liefs, knuffels en kussen…XXX

Geef een antwoord